WONEN IN ITALIË – Een tripje naar Nederland

Zeven weken mijn moeder niet gezien, dus tijd voor een tripje naar Nederland. Het klinkt simpel maar dat is het niet in coronatijd. Door de steeds maar veranderende regels in de verschillende landen, moet je je gedegen voorbereiden op de reis, ook met de auto.

In ieder geval een corona-test laten doen, zo kort mogelijk voor het vertrek, want de meeste landen zoals bv. Italie, eisen een negatieve test die niet ouder is dan 48 uur.

Bij de apotheek van Niella Belbo kan ik een afspraak maken. Die laten een verpleegkundige komen die een sneltest doet. Om negen uur zaterdagochtend kan ik terecht.

De nacht voor de test heb ik vreselijk last van kriebelhoest. Tegen de ochtend weet ik zeker dat ik wel corona moet hebben. Doodzenuwachtig meld ik me om 9 uur bij de apotheek. De verpleegster draait haar wattenstaafje hoog door m'n neus. Het kriebelt... een kwartier later ga ik met een papier naar huis waarop in twee talen staat dat ik negatief ben, en dus gèèn corona heb.

Samen met mijn buurman vul ik het verplichte formulier in, wat je aan de politie moet kunnen laten zien als je tegen de voorschriften in je regio uit gaat. Je moet een goede reden hebben, anders krijg je een bekeuring van 400 euro. Ik heb ook nog een officiëel papier van het bejaardenhuis waarin staat dat ik op dat adres in Nederland een moeder van 95 heb wonen. Ik leg het stapeltje naast me in de auto zodat ik het meteen bij de hand heb als de carabinieri of het douane-personeel me aanhoudt.

Zondagochtend om zes uur rijd ik Mombarcaro uit. Het is nog donker. In het oosten licht de hemel op. Ik rijd door een paar doodstille dorpen. Heel af en toe kom ik een andere auto tegen. Eenmaal op de autostrada is het drie uur rijden naar de grens in de Grote Sint Bernard tunnel. Ik zit toch wat gespannen in de auto maar nergens is politie te zien.

De wegrestaurants zijn gelukkig open, dus ik ontbijt in mijn favoriete autogrill. Verse croissants liggen aanlokkelijk uitgestald. Boven Turijn verlaat ik Piemonte en rijd Valle d'Aosta binnen. In de laatste dorpen voor de pas staat 't zwart van de auto's. Wintersporters?

Voordat ik de tunnel in ga, rijd ik langs de kantoren van de Italiaanse en Zwitserse douane. Geen kip te zien. Als ik de tunnel uitkom, staan er drie douaniers langs de weg. Als ik inhoud om te stoppen, maakt er één een gebaar dat ik door moet rijden.

Opgelucht rijd ik Zwitserland binnen. De berg af tot Martigny. Ook hier staan auto's voor de hotels en restaurants geparkeerd. Maar zodra ik het berggebied uit ben, is alle horeca weer dicht. Koffie haal ik bij benzinestations. Door naar Bazel.

Ook aan de grens bij Bazel geen controle. Bijna alle wegrestaurants zijn gesloten en waar je wel koffie kunt kopen, moet je die buiten opdrinken. Overal staan of zitten groepjes mensen te eten en te drinken.

Om twee uur kom ik bij het hotel aan waar ik altijd overnacht als ik naar Nederland rijd. De eigenaren hadden me de vorige keer gezegd dat er voor mij hier altijd een kamer zou zijn. Ik ben moe van het rijden en geniet met volle teugen van deze luxe.

Een paar uur later belt de eigenaar me om te zeggen dat er eten voor me klaar staat. Als ik even later het restaurant binnen stap, is er een tafel voor me gedekt waar een schaal vol kazen, vleeswaren en brood op staat. Bier en een karafje wijn maken de maaltijd compleet.

Ik zit helemaal alleen in het restaurant. Op een plek waar ze me vanaf de straat niet kunnen zien. De eigenaar heeft me smakelijk eten gewenst en is weggaan. Het is een beetje vreemd allemaal, uit een speaker komt zachte disco-muziek. Ik pak m'n boek en begin aan m'n biertje.

De volgende ochtend rijd ik in een uurtje of vijf naar de Nederlandse grens. Kort na Aken passeer ik het blauwe bord van de Europese Unie met de gele sterren met in het midden 'Nederland'.

Als ik anderhalf uur later de blijdschap op mijn moeders gezicht zie, als ik haar kamer binnenstap, dan ben ik al het geregel en de spanning rondom de reis meteen vergeten. Gewoon doen, dat is toch altijd het beste.



  • De beslissing
  • Jarenlang was het een droom. Een huis in Italië. Op vakantie stond ik steevast lang voor de etalage van de makelaar ter plaatse. Maar het moment was (nog) niet geschikt. Ik werkte nog, mijn geliefde was ziek, m’n ouders hadden steeds meer zorg nodig. Ik bleef dromen en fantaseren, allemaal heel veilig. Jaar na jaar ging voorbij. Er gebeurde veel. Cor ging dood, ik maakte een voettocht naar Rome, werd ontslagen en toen was daar opeens het moment van: nu of nooit.