WONEN IN ITALIË – Winterleven
Ik heb het al eens eerder gezegd: de winter betekent hier hard werken. Zeker als het zo koud is. De sneeuw begint nu pas te smelten. Maar lag tot nu toe bevroren over de velden en over mijn tuin. Tot voor een paar dagen geleden was het hier echt heel koud, ver onder nul.
Dan is het afzien voor zo'n verwend iemand zoals ik. 's Morgens wakker worden in een koude slaapkamer. Aan mijn voeten voel ik koud rubber, het zijn de afgekoelde warmwaterkruiken die ik iedere avond mee naar bed neem. Moed verzamelen en dan hup een dikke trui induiken. Daaroverheen m'n ochtendjas en dan naar beneden.
Als ik geluk heb, smeult de houtkachel nog wat na, maar meestal is ie uit. Dus dat betekent opnieuw vuur maken. Om de zoveel dagen moet ik hem van binnen ook helemaal leegscheppen want dan ligt er een dikke laag as en sintels in.
Twee keer per dag trek ik m'n jack aan en stap m'n terras op waar het hout ligt opgestapeld. Ik kom met armenvol binnen, de kachel kan weer branden.
Mijn huis heeft centrale verwarming maar die staat al enkele jaren uit. Ik werd de eerste jaren dat ik hier woonde met zulke hoge gasrekeningen geconfronteerd dat ik besloot, net als de dorpelingen, mijn huis met hout en pellets warm te stoken.
De keuken heb ik in de ochtend snel warm. Gelukkig maar, want dan kan ik tenminste gaan ontbijten en de krant lezen.
Veel mensen hier wonen overdag maar in één ruimte. Dat heeft alles met het warm houden te maken. Ik vind het echter zonde van mijn mooie rustieke huis om de hele dag alleen maar in de keuken te zitten.
Halverwege de middag ga ik naar mijn salon waar de tv staat en naar mijn leeskamer daarnaast, waar ik mijn boeken heb en een lekkere sofa.
Hier staat de pelletkachel. Ook die moet om de paar dagen worden schoongemaakt. Daarna gevuld met pellets. Daar moet ik tegenwoordig helemaal voor naar Dogliani omdat de boerenbond daar pellets verkoopt die niet kruimelen. Anders heb je telkens een verstopte kachel.
In dit 'punto agrario' haal ik, behalve mijn pellets, ook zakken vol aansteekhoutjes. Het is een heel gesjouw. Mijn achterbak vol zakken die ik er thuis zelf uit moet tillen en dan naar binnen moet brengen. Hoelang kan ik dat nog, vraag ik me regelmatig af.
Nu kan ik ook nog gaan klagen over de stof die het allemaal geeft in m'n huis, de houtsnippers, de aswolken, de rook, maar dan word ik echt een ouwe zeur.
Ik zet opgewekt een geurige tak in een vaas en steek 's avonds wat kaarsen aan en dan vind ik m'n huis ondanks alle ongemak toch het meest knusse uit mijn woon-geschiedenis. En ik ben wat verhuisd.
Op de terugweg van één van mijn expedities naar het 'punto agrario' in Dogliani besloot ik een mooie slinger voor mezelf op te hangen. Ik besloot in de Riviera bar te blijven lunchen. Ik had het verdiend.
Ik koos een groentesoep en een pasta met tomaat en tonijn. Naast mij zaten twee mannen en een vrouw. Opeens kwam er een vrouw vanuit de keuken op hen toe lopen, huilend, ze werd gecondoleerd.
Uitvoerig begon ze over het sterfbed van haar man te vertellen. Hoe hij zijn ontlasting had laten lopen, opeens niet meer ademde. Haar gehoor leefde met haar mee. Ook bij mij sprongen de tranen in de ogen.
Mijn pasta werd voor m'n neus gezet. De vrouw draaide zich om en liep weg haar kennissen groetend. Toen ze buiten gehoorsafstand was, hoorde ik één van mijn buren zeggen: "Kende jij hem?" "Nee" zei de vrouw. "En jij?" Zich tot z'n buurman wendend. "Nee, ik heb hem ook nooit ontmoet".
Op de één of andere manier vond ik dit toch ook wel weer een beetje komisch.


Jarenlang was het een droom. Een huis in Italië. Op vakantie stond ik steevast lang voor de etalage van de makelaar ter plaatse. Maar het moment was (nog) niet geschikt. Ik werkte nog, mijn geliefde was ziek, m’n ouders hadden steeds meer zorg nodig. Ik bleef dromen en fantaseren, allemaal heel veilig. Jaar na jaar ging voorbij. Er gebeurde veel. Cor ging dood, ik maakte een voettocht naar Rome, werd ontslagen en toen was daar opeens het moment van: nu of nooit.

